| TCP/IP |
Dit is de verzamelnaam voor standaarden die bij de basis staan van het Internet |
| UDP |
UDP staat voor "User Datagram Protocol" en het is een communicatieprotocol dat gegevens verstuurt zonder bevestigingscontroles, wat zorgt voor snelle, maar niet gegarandeerd betrouwbare dataoverdracht. |
| IPv4 |
IPv4 is het Internet Protocol versie 4, dat IP-adressen gebruikt om apparaten op het internet te identificeren, bestaande uit vier sets van cijfers (bijv. 192.168.1.1).
|
| IPv6 |
IPv6 is het Internet Protocol versie 6, een nieuwere versie van IPv4 die meer IP-adresruimte biedt en het internet toekomstbestendiger maakt.
|
| IP-adres |
Een IP-adres is een unieke numerieke identificatie voor een apparaat op een netwerk, waarmee het kan worden gevonden en gecommuniceerd binnen dat netwerk.
|
| Subnetmask |
Een subnetmasker bepaalt welke delen van een IP-adres worden gebruikt voor het netwerk en de host, waardoor netwerksegmenten worden gedefinieerd.
|
| Gateway |
Een gateway is een apparaat dat netwerken met verschillende protocollen of segmenten verbindt, waardoor gegevens tussen hen kunnen worden doorgegeven.
|
| MAC adres |
Het MAC-adres (Media Access Control) is een uniek hardwareadres dat is toegewezen aan netwerkapparaten, zoals een netwerkkaart.
|
| Firewall |
De firewall is een beveiligingsmechanisme dat het verkeer tussen een netwerk en externe bronnen reguleert en beschermt tegen ongeautoriseerde toegang en bedreigingen.
|
| DHCP |
Een DHCP staat voor "Dynamic Host Configuration Protocol" en is een systeem dat automatisch IP-adressen toewijst aan apparaten in een netwerk.
|
| DNS |
DNS staat voor "Domain Name System" en vertaalt mensvriendelijke domeinnamen (bijv. www.example.com) naar IP-adressen om internetcommunicatie mogelijk te maken.
|
| DDNS |
Een DDNS staat voor (Dynamic Domain Name System) en is een systeem waarmee een domeinnaam kan worden gekoppeld aan een dynamisch IP-adres dat regelmatig verandert.
|
| Poort |
Een poort is een numerieke waarde die wordt gebruikt om verschillende services op een enkel IP-adres te onderscheiden en te routeren.
|
| OSI-model |
Het OSI-model is een gestandaardiseerd model dat de lagen van netwerkcommunicatie in zeven abstracte lagen verdeelt, van fysieke connectiviteit tot applicatie-interactie.
|
| Applicatielaag |
Een applicatielaag is de bovenste laag van het OSI-model en omvat toepassingen en services die direct door gebruikers worden gebruikt.
|
| Presentatielaag |
De presentatielaag in het OSI-model behandelt de vertaling en codering van gegevens om compatibiliteit tussen verschillende systemen mogelijk te maken.
|
| Sessielaag |
De sessielaag in het OSI-model is verantwoordelijk voor het beheer en de controle van communicatiesessies tussen apparaten.
|
| Transportlaag |
Een transportlaag in het OSI-model zorgt voor end-to-end communicatie, inclusief foutcontrole en gegevensstroombeheer.
|
| Netwerklaag |
De netwerklaag in het OSI-model routeert gegevens tussen verschillende netwerken en maakt internationale communicatie mogelijk.
|
| Datalinklaag |
Een datalinklaag in het OSI-model beheert de gegevens op de fysieke laag en regelt de toegang tot het fysieke medium.
|
| Fysieke laag |
Een fysieke laag in het OSI-model omvat de hardwarecomponenten, kabels en signalen die gegevens overdragen.
|
| Hub |
De hub is een eenvoudig netwerkapparaat dat gegevens naar alle aangesloten apparaten uitzendt.
|
| Switch |
Een switch is een geavanceerder netwerkapparaat dan een hub en stuurt gegevens alleen naar het specifieke doelapparaat, waardoor het netwerk efficiƫnter wordt.
|
| Bridge |
Een bridge is een apparaat dat twee delen van een netwerk op datalinkniveau verbindt en verkeer tussen hen controleert.
|
| Router |
Een router is een apparaat dat netwerkverkeer tussen verschillende netwerken beheert en beslissingen neemt over de beste route voor gegevenspakketten.
|
| Netwerkcommando |
Een netwerkcommando is een opdracht die wordt gebruikt om netwerkgerelateerde taken uit te voeren, zoals het weergeven van netwerkinformatie of het controleren van de netwerkstatus.
|
| Ipconfig (/all) |
Het woord Ipconfig is een netwerkcommando dat wordt gebruikt om IP-configuratiegegevens van een computer weer te geven, en "/all" geeft uitgebreide informatie weer.
|
| Ping |
Een Ping is een netwerkcommando waarmee je de beschikbaarheid en reactietijd van een netwerkapparaat kunt testen.
| -
| Tracert NS lookup |
De Tracert is een netwerkcommando waarmee je de route kunt traceren die gegevens volgen van je computer naar een doelhost. En een NS lookup is een netwerkcommando om DNS-gegevens te achterhalen, zoals het IP-adres dat overeenkomt met een domeinnaam.
|
| Netstat |
en Een Netstat is een netwerkcommando waarmee je de netwerkstatus van een computer kunt bekijken, zoals actieve verbindingen en poorten. |